Druivensoorten
De Pecorino-wijndruif
De Pecorino is een karaktervolle witte druif uit Midden-Italië, vooral bekend uit de Marche en Abruzzo. Ooit bijna uitgestorven, is deze 'schaapjesdruif' nu razend populair. De wijnen zijn geliefd om hun frisse zuren, minerale tonen en aroma’s van geel fruit en kruiden, wat ze een prachtig alternatief maakt voor Pinot Grigio.
Herkomst en geschiedenis
De naam “Pecorino” komt van het Italiaanse woord pecora (schaap). Volgens de overlevering aten schapen tijdens de transhumance (de jaarlijkse trek van herders) graag de zoete druiven, of werden de druiven gebruikt om schapenkaas te betalen. De druif zou al eeuwenlang in de heuvels van de Sibillini-bergen groeien, mogelijk al sinds de Romeinse tijd. De eerste schriftelijke vermeldingen dateren uit de 19de eeuw, onder meer in studies uit de provincie Ascoli Piceno.
In de 20ste eeuw raakte Pecorino bijna uitgestorven. Door de focus op hogere opbrengsten en gemakkelijkere druivenrassen zoals Trebbiano werden de lage-opbrengst, veeleisende stokken verwaarloosd. Tegen de jaren ’60-’70 waren er nog maar enkele oude stokken over, vooral rond Arquata del Tronto op grote hoogte.
De redding kwam in de jaren ’80 dankzij wijnmaker Guido Cocci Grifoni. Hij ontdekte oude stokken, nam stekken en entte ze in 1983 op zijn domein in Ripatransone. In 1985 produceerde hij de eerste pure Pecorino-wijn. Andere producenten, zoals in Abruzzo, volgden zijn voorbeeld. Dankzij hun inspanningen beleefde de druif een spectaculaire comeback. Vandaag is Pecorino bekend om frisse, aromatische wijnen met hoge zuren, mineraal en potentieel om te rijpen. De druif symboliseert de herontdekking van vergeten Italiaanse autochthone variëteiten.
Kenmerken van de druif
Ampelografisch vertoont de druif duidelijke kenmerken die haar herkenbaar maken. De jonge scheuten hebben een open, katoenachtige apex met een geelgroene kleur. De bladeren zijn klein tot middelgroot, rond van vorm, vaak heel of drielo-big, met een liervormige basis en overlappende randen. Ze voelen blaarachtig aan en zijn glad aan de onderkant.
De trossen zijn middelgroot tot klein, cilindrisch, soms met een vleugel, en half-los. De bessen zijn middelgroot tot klein, bolvormig (sferisch), met een dunne tot middelmatig dikke schil van gele tot geelgroene kleur die bij rijpheid een gouden tint krijgt. De schil is bedekt met een pruina (waslaag) en de pulp is sappig. De druif rijpt vroeg, wat een voordeel is in koelere berggebieden, maar ze heeft van nature een lage opbrengst, zelfs zonder strenge snoei. Dit maakt haar minder aantrekkelijk voor massaproductie, maar ideaal voor kwaliteitswijnen.
Viticulturaal is Pecorino robuust en veerkrachtig. Ze toont goede weerstand tegen schimmelziekten zoals valse meeldauw, hoewel ze gevoeliger is voor echte meeldauw. De stokken gedijen op verschillende hoogtes, van heuvels tot bergen tot 1000 meter, en gedijen in diverse terroirs: kalkrijke, klei- of zandbodems. Dankzij de vroege rijping behoudt ze hoge zuren, zelfs bij hoge suikergehaltes. Dit resulteert in wijnen met een alcoholgehalte dat vaak 13-14,5% bereikt, gebalanceerd door frisse aciditeit.
In de kelder levert Pecorino expressieve, aromatische wijnen op. De kleur is meestal strogeel met groene of gouden reflecties. Het bouquet is complex en bloemig: acacia, jasmijn, limoenbloesem, met fruitige tonen van peer, perzik, abrikoos, citrus (citroen, limoen) en soms tropisch fruit of banaan. Er komen ook kruidige en minerale nuances bij: venkel, anijs, tijm, salie, natte steen of zilte mineraliteit door de nabijheid van de Adriatische Zee. Op het palet is de wijn medium tot vol van body, droog, met een levendige zuurgraad, structuur en een lange, verfrissende afdronk. Sommige wijnen ontwikkelen noten van amandel of kruiden na rijping. Ze kunnen jong gedronken worden, maar top-exemplaren rijpen goed enkele jaren op fles.
Pecorino-wijnen worden vaak puur gebotteld, maar ook in blends gebruikt. Ze passen uitstekend bij vis, schaaldieren, pasta met zeevruchten of zelfs lichtere kazen. Door haar hoge zuren en mineraliteit lijkt ze soms op Albariño: fris, aromatisch en veelzijdig. De druif is gevoelig voor terroir en wijnbereiding – van roestvrijstalen tanks voor fruitgedreven stijlen tot korte schilcontact of eiken voor meer complexiteit.
Conclusie
Pecorino combineert elegantie, kracht en frisheid in één druif. Haar lage rendement en veeleisende natuur maken haar tot een “niche”-variëteit, maar juist dat zorgt voor wijnen met unieke concentratie en persoonlijkheid. Ze belichaamt de heropleving van authentieke Italiaanse autochthone druiven.