Home / Druivensoorten / Altesse

Druivensoorten

De Altesse-wijndruif

Hoog in de Franse Alpen, op de steile hellingen die tegen het Savoyaardse bergmassief aanleunen, groeit een van de meest karaktervolle en tegelijk meest miskende witte druivenrassen van Frankrijk. De Altesse, lokaal ook wel Roussette genoemd, wordt door kenners weleens de koningin van de Alpiene druivenrassen genoemd, een eretitel die zowel naar haar naam als naar de kwaliteit van haar wijnen verwijst. Waar veel Savoyaardse witte wijnen bekendstaan om hun frisse eenvoud, onderscheidt de Altesse zich door een zeldzame combinatie van aromatische rijkdom, structuur en een opmerkelijk bewaarvermogen. Het is een druif die, ondanks haar beperkte verspreiding, geldt als de meest nobele vertegenwoordiger van het Savoyaardse wijnlandschap.

Geschiedenis en herkomst

Rond de oorsprong van de Altesse circuleren al eeuwenlang kleurrijke legendes. De meest verspreide vertelt dat het ras in de vijftiende eeuw vanuit Cyprus naar Savoie werd gebracht door prinses Anne van Cyprus, die in 1432 in het huwelijk trad met hertog Lodewijk II van Savoie en haar geboorte-eiland de druif zou hebben meegegeven, die vervolgens ter ere van haar de naam Altesse zou hebben gekregen. Een verwante variant van dit verhaal situeert de introductie in de veertiende eeuw en schrijft ze toe aan graaf Amédée VI van Savoie, die de druif tijdens zijn veldtochten in Thracië of Byzantium zou hebben aangetroffen. Een andere, minder romantische verklaring leidt de naam Altesse af van de uitdrukking "coteaux des altesses", een verwijzing naar de trapsgewijze, in terrassen aangelegde wijngaarden waarin het ras oorspronkelijk werd geteeld. Hoezeer deze verhalen ook tot de verbeelding spreken, modern DNA-onderzoek heeft de exotische oosterse oorsprong grotendeels ontkracht. Genetische analyses tonen een nauwe verwantschap met het lokale, uiterst oude ras Chasselas, wat erop wijst dat de Altesse in werkelijkheid een authentiek Savoyaards ras is, ontstaan op eigen bodem eerder dan geïmporteerd via de Middellandse Zee. De ampelograaf Louis Levadoux plaatste de Altesse bovendien in de zogenaamde familie van de Sérines, een groep waartoe ook Syrah, Mondeuse, Viognier en Roussanne zouden behoren, wat haar een indrukwekkende genetische stamboom toedicht binnen het Franse druivenpatrimonium. De vroegste schriftelijke vermelding van het ras dateert uit 1530 en situeert de teelt in Lucey, op de hellingen van de Mont du Chat, in een wijngaard die sinds 1563 als Marestel bekendstaat. Interessant genoeg wordt de Altesse ook regelmatig verward met de Hongaarse druif Furmint, waarmee ze een sterke ampelografische gelijkenis vertoont, al is een rechtstreekse genetische band tussen beide rassen nooit aangetoond.

Kenmerken van deze druivensoort

Fenotypisch is de Altesse een laat rijpend en tamelijk kwetsbaar ras, gevoelig voor meeldauw en grijze rot, wat wijnbouwers dwingt tot bijzondere zorg gedurende het hele groeiseizoen. De jonge bladeren vallen op door hun uitgesproken, bijna bronskleurige tint voordat ze hun definitieve groene kleur aannemen, een kenmerk waaraan het ras op het veld gemakkelijk te herkennen is. De druiventrossen zijn eerder klein tot middelgroot en compact, met bessen die bij volle rijpheid overgaan van een rozige tint naar een roodbruine, "roestkleurige" gloed, een fenomeen dat aan de basis ligt van de naam Roussette waaronder het ras evenzeer bekendstaat. Het is een matig productief ras met van nature beperkte opbrengsten, wat in combinatie met de late rijping bijdraagt tot een hoge concentratie aan suikers, aroma's en zuren in de bes. Organoleptisch leveren wijnen op basis van Altesse een bleekgele tot strogele kleur op, vaak met groenige weerschijn. De neus is uitgesproken exotisch en complex, met in de jeugd tonen van ananas, kweepeer, bergamot en witte bloesem, aangevuld met een subtiele amandelnoot. Naarmate de wijn ouder wordt, evolueren deze primaire aroma's naar meer gerijpte, empyreumatische tonen van geroosterd brood, honing en zelfs witte truffel, een evolutie die zelden wordt teruggevonden bij andere Savoyaardse witte druiven. In de mond onderscheidt de Altesse zich door een volle, bijna vette textuur die in evenwicht wordt gehouden door een levendige, hoge zuurgraad, wat de wijnen een opmerkelijk bewaarpotentieel van verschillende jaren verleent. Deze combinatie van body en frisheid maakt het ras eveneens uitermate geschikt voor de productie van mousserende wijnen, waarin de natuurlijke zuren van de druif een verfijnde structuur garanderen.

Ideale terroirs en verspreiding

De Altesse gedijt het best op steile, goed gedraineerde hellingen die tegen het Alpenmassief aanleunen, doorgaans niet hoger dan vijfhonderd meter boven zeeniveau. Het ras toont een uitgesproken voorkeur voor kalkhoudende bodems, hetzij in de vorm van steenachtige morenegronden op de middenhellingen, hetzij als kleiige en kalkrijke mergel, terwijl ze op lichtere, zandige en steenachtige gronden juist meer verfijnde, bloemige wijnen voortbrengt. Het gematigde, semicontinentale bergklimaat van Savoie, gekenmerkt door koele nachten en aanzienlijke temperatuurverschillen tussen dag en nacht, is ideaal om de late rijping van het ras te ondersteunen zonder dat de zuurgraad verloren gaat, een evenwicht dat elders veel moeilijker te bereiken is. Het overgrote deel van de wereldwijde aanplant van Altesse bevindt zich dan ook in de Franse Savoie, waar het ras de kern vormt van de appellatie Roussette de Savoie en haar vier erkende crus Frangy, Marestel, Monterminod en Monthoux, en waar ze bovendien wordt versneden met Molette voor de mousserende wijnen van de appellatie Seyssel. Buiten Savoie vindt men het ras in beperkte mate terug in de naburige Bugey-streek in het departement Ain, waar het onder dezelfde naam Roussette de Bugey de basis vormt van een eigen appellatie, en incidenteel in de Isère. In Zwitserland, meer bepaald in het Wallis, wordt een nauw verwant of mogelijk identiek ras geteeld onder de naam Rèze, dat traditioneel wordt gebruikt voor de beroemde Vin des Glaciers. Buiten Europa is de aanplant van Altesse uiterst schaars, met slechts enkele experimentele percelen die onder meer in Nieuw-Zeeland zijn terug te vinden. Deze beperkte geografische spreiding onderstreept hoe sterk de Altesse verbonden blijft met haar Alpiene bakermat, waar het bergachtige terroir en het ras elkaar sinds eeuwen in een unieke symbiose versterken.

Conclusie

De Altesse belichaamt op unieke wijze de aristocratische reputatie die haar naam suggereert: een druif met een rijke, deels legendarische geschiedenis, een kwetsbaar maar veeleisend karakter op het veld, en een aromatische diepgang die weinig andere Alpiene witte rassen evenaren. Hoewel haar verspreiding beperkt blijft tot enkele bevoorrechte terroirs in Savoie, Bugey en Zwitserland, bevestigt elke fles die van deze druif wordt gemaakt waarom de Altesse terecht wordt beschouwd als een van de grote, authentieke witte druivenrassen van het Franse wijnpatrimonium.