Druivensoorten
De Bellone-wijndruif
In de heuvels rond Rome, waar wijnbouw en geschiedenis al meer dan tweeduizend jaar met elkaar verweven zijn, gedijt een witte druif die haar naam dankt aan het Italiaanse woord voor "mooi": Bellone. Deze autochtone variëteit uit Lazio (Latium) wordt door wijnhistorici beschouwd als een van de oudste nog gecultiveerde druiven van Italië, met wortels die mogelijk teruggaan tot de Romeinse Oudheid zelf. Hoewel Bellone buiten Italië relatief onbekend is gebleven, vormt ze binnen haar herkomstgebied een onmisbare schakel in tal van traditionele witte wijnen, en de jongste decennia herontdekken steeds meer producenten haar unieke, zonnige karakter.
Geschiedenis en herkomst
De geschiedenis van Bellone reikt terug tot in de klassieke oudheid. Wijnhistorici gaan ervan uit dat de druif reeds in Romeinse tijden werd geteeld in de streek rond Rome, en verschillende bronnen suggereren dat de Romeinse natuurfilosoof Plinius de Oudere in zijn encyclopedische werk Naturalis Historia mogelijk al melding maakte van een druif die met Bellone geassocieerd wordt, onder de naam "uva pantastica". Die eeuwenoude aanwezigheid verklaart ook de indrukwekkende lijst van lokale synoniemen waaronder de druif doorheen de geschiedenis bekendstond, zoals Cacchione, Arciprete, Uva pane en Zinna Vacca, elk verbonden met een dorp of een streek binnen Lazio waar de druif een eigen naam en een eigen lokale traditie kreeg.
Ondanks die lange geschiedenis bleef Bellone lange tijd een druif van bescheiden aanzien, voornamelijk gebruikt als aanvullend blendingsras in plaats van als hoofdrolspeler. Tegen het einde van de twintigste eeuw besloeg de variëteit nog altijd een aanzienlijk areaal in Lazio, met schattingen die spreken van ongeveer 2.500 tot 3.000 hectare rond 1990. De voorbije decennia is er echter een duidelijke kentering merkbaar: een nieuwe generatie wijnbouwers herwaardeert Bellone als monovarietale druif met een eigen identiteit, wat heeft geleid tot een groeiend aantal ambitieuze, zuiver op Bellone gebaseerde wijnen, vooral in de gebieden tussen Rome en Latina.
Kenmerken van de druif
Ampelografisch onderscheidt Bellone zich door een middelgrote tot forse, cilindrisch-conische druiventros, vaak voorzien van een kleine "vleugel", met een compacte structuur. De bes zelf is wit, van middelgrote afmeting en rond van vorm, met een opvallend dikke, wasachtige schil die geelachtig van kleur is en vaak doorspekt met bruine strepen of vlekken. Het blad is groot, vijflobbig en pentagonaal van vorm, wat de plant een weelderige, decoratieve uitstraling geeft. De wijnstok zelf vraagt om een matige tot forse snoei en vertoont van nature een hoge groeikracht, met een productiviteit die weliswaar overvloedig kan zijn, maar van jaar tot jaar sterk kan wisselen. Bellone rijpt bovendien relatief laat in het seizoen, wat de druif gevoelig maakt voor herfstweersomstandigheden en een zorgvuldige timing van de oogst vereist.
Organoleptisch levert Bellone wijnen op met een intense, gele tot goudgele kleur en gouden schakeringen, een visueel kenmerk dat meteen opvalt in het glas. De neus wordt gekenmerkt door een uitgesproken, zonnige aromatiek, waarin rijp en zelfs exotisch fruit zoals mango en papaja zich mengen met citrustonen, aangevuld met een subtiele minerale ondertoon en soms lichte bloemige of kruidige accenten. Op de tong toont de wijn zich doorgaans vol van lichaam en sappig, gedragen door een stevige, verfrissende zuurgraad die een tegenwicht biedt aan de rijpe fruittonen en de wijn een goed bewaarpotentieel geeft. Die combinatie van volheid en spanning maakt Bellone tot een veelzijdige druif, die zowel fris en jong gedronken kan worden als gedurende langere tijd op fles kan verder rijpen.
Terroir en verspreiding
Bellone gedijt het best op gronden met een vulkanische oorsprong, zoals men die aantreft in de heuvels van de Castelli Romani ten zuidoosten van Rome, waar eeuwenoude vulkanische activiteit bodems heeft nagelaten die rijk zijn aan mineralen en een uitstekende drainage bieden. Diezelfde druif voelt zich echter evengoed thuis op de kalkhoudende en kleiige gronden van het Agro Pontino, de voormalige moerasvlakte tussen Rome en Latina die begin twintigste eeuw werd drooggelegd en die vandaag een van de meest dynamische wijnbouwzones van Lazio vormt. Daar zorgt de wisselwerking tussen vochtige stromingen vanuit de Tyrreense Zee en de koelere luchtstromen vanuit het Lepini-gebergte voor een evenwichtig mesoklimaat, dat de druif toelaat haar aromatische rijkdom volledig te ontwikkelen zonder haar kenmerkende zuurgraad te verliezen.
Bellone wordt vandaag vrijwel uitsluitend geteeld in Italië, met een sterke concentratie in de regio Lazio en, in mindere mate, in het aangrenzende Umbrië. Binnen Lazio vormt de druif de belangrijkste witte component in de Bianco-blends van de appellaties Cori, Marino, Nettuno en Roma, en ze wordt bovendien toegelaten als aanvullend ras in een tiental beschermde geografische aanduidingen. Zelfs in de gerenommeerde Frascati-appellatie mag Bellone tot dertig procent van de blend uitmaken, wat haar belang als ondersteunende druif binnen de klassieke witte wijnen van Lazio onderstreept. Buiten deze regio's blijft haar aanwezigheid nagenoeg onbestaande, wat Bellone tot een uitgesproken streekgebonden en typisch Romeinse druif maakt.
Conclusie
Bellone belichaamt op indrukwekkende wijze de continuïteit van de Italiaanse wijnbouwgeschiedenis: van een mogelijke vermelding bij Plinius de Oudere tot de hedendaagse herwaardering door ambitieuze producenten in het Agro Pontino en de Castelli Romani. Haar dikke, wasachtige schil, haar late rijping en haar vermogen om zowel op vulkanische als op kalkhoudende bodems te gedijen, resulteren in volle, sappige wijnen met een unieke balans tussen rijp fruit en frisse zuren. Als stille getuige van meer dan tweeduizend jaar Romeinse wijncultuur verdient Bellone ongetwijfeld meer aandacht buiten haar eigen streek.
