Home / Druivensoorten / Corvina

Druivensoorten

De Corvina-wijndruif

De Corvina (voluit Corvina Veronese) is de belangrijkste en meest prestigieuze rode wijndruif van de Veneto-regio in Noord-Italië. Ze vormt de ruggengraat van de iconische wijnen uit Valpolicella, waaronder Valpolicella DOC, Ripasso, Recioto en vooral Amarone della Valpolicella DOCG. Haar geschiedenis is nauw verweven met die van Verona en de heuvels ten noorden ervan.

Herkomst en geschiedenis

Corvina is een inheemse (autochtone) variëteit uit de provincie Verona. Haar wortels reiken mogelijk terug tot de Romeinse tijd, toen de wijnen uit Valpolicella (toen bekend als Rhaetian wines) al gewaardeerd werden. De naam “Corvina” is afgeleid van het Italiaanse corvo (kraai), vermoedelijk vanwege de donkere, bijna zwarte kleur van de bessen die doet denken aan de veren van een kraai.
De eerste concrete historische verwijzingen naar een wijn genaamd “Corvini” dateren uit 1627. Een duidelijke ampelografische beschrijving (beschrijving van de druif zelf) verscheen echter pas in 1818. In de 16de eeuw beschreef de Veronese geleerde Girolamo Fracastoro al een druif die overeenkomt met Corvina, inclusief haar gebruik voor zoete wijnen. Aan het einde van die eeuw noemde arts Andrea Bacci in zijn werk De Naturali Vinorum Historia hoe Corvina bijdroeg aan de productie van Acinaticum, een kostbare zoete wijn waarbij druiven spontaan sap lieten druipen. In 1825 prees naturalist Giuseppe Acerbi Corvina als “boven alle andere gewaardeerd voor uitstekende en genereuze wijn”. Tegen 1886 werd ze door Bertani als de meest verspreide variëteit in de provincie Verona beschreven.

In de 19de eeuw speelde Corvina een centrale rol in de traditionele wijnbouw rond Verona. Ze overleefde de phylloxera-crisis (eind 19e eeuw) relatief goed dankzij haar robuustheid en dikke schil, waarna wijngaarden grotendeels opnieuw werden aangeplant, vaak op Amerikaanse onderstokken. Haar hoge opbrengst en geschiktheid voor de appassimento-methode (het indrogen van druiven na de oogst) maakten haar onmisbaar voor zowel lichte rode wijnen als geconcentreerde zoete en droge stijlen.
Lang werd Corvinone (een grotere druif) beschouwd als een kloon of variant van Corvina. DNA-onderzoek in de jaren ’90 bewees echter dat het twee genetisch verschillende variëteiten zijn. Corvina bleek wel een nauwe genetische band te hebben met Rondinella (waarschijnlijk een nakomeling) en links te vertonen met Garganega (de witte druif van Soave) en Refosco.
In 1968 werd Corvina officieel geregistreerd in het Italiaanse nationale druivenregister (nummer 70). De DOC-regels voor Valpolicella schrijven voor dat Corvina / Corvinone 45-95% van de blend mag uitmaken, met Rondinella als belangrijke ondersteunende druif (5-30%).

In de tweede helft van de 20ste eeuw groeide de internationale faam van Valpolicella, vooral door Amarone: een krachtige, droge wijn uit ingedroogde druiven. Corvina’s dikke schil beschermt de bessen tijdens het maandenlange drogen tegen rotting, terwijl haar levendige zuren en fruitige aroma’s (kersen, rode bessen, amandel, kruiden) balans en elegantie geven aan de blend.
Tegenwoordig beslaat de aanplant van Corvina bijna uitsluitend Veneto, behoudens enkele kleine percelen elders in de wereld. 

Kenmerken van de wijndruif

De bladeren van de Corvina zijn middelgroot en hebben een vijfhoekige vorm, meestal met drie of vijf lobben. De inkepingen (sinussen) zijn matig diep en de bladrand is getand. Het blad heeft een glad oppervlak en een diepgroene kleur. De tros is middelgroot tot groot en heeft een karakteristieke cilindrisch-piramidale vorm, vaak met één of twee duidelijke 'vleugels' (zijtrossen). De trossen zijn relatief compact. De druiven zelf zijn middelgroot en ellipsvormig. Wat opvalt, is de dikke, stevige schil met een intense blauw-zwarte kleur, die bedekt is met een gulle laag 'pruina' (een natuurlijk waslaagje).
Deze dikke schil is cruciaal voor de appassimento-methode (het indrogen van de druiven), omdat het de vrucht beschermt tegen rotting tijdens het droogproces. Een ander uniek kenmerk is dat de eerste knoppen op de loot vaak onvruchtbaar zijn, waardoor de wijnstok een lange snoeivorm nodig heeft om een goede opbrengst te leveren.

De druif rijpt relatief laat, meestal in de tweede helft van september of begin oktober. Hoewel de dikke schil een goede natuurlijke weerstand biedt tegen regen en bepaalde ziektes, is Corvina paradoxaal genoeg gevoelig voor valse meeldauw en extreme droogte. De bodemvoorkeur gaat uit naar kalkrijke kleigronden op heuvelachtige locaties, waar de drainage optimaal is.
Het meest geprezen viticulturele aspect is echter de geschiktheid voor appassimento. Door de stevige schil en de losse structuur van de tros kan de druif maandenlang indrogen zonder te rotten, waarbij de zuren behouden blijven terwijl de suikers en extracten concentreren. Dit maakt de Corvina de onmisbare ruggengraat voor wijnen met een groot bewaarpotentieel.

Het wijnprofiel van een jonge Corvina is fris en fruitig, met dominante tonen van zure kersen (morellen), rode bessen en subtiele florale hints zoals viooltjes. Een kenmerkend element in de afdronk is een lichte bitterheid die doet denken aan amandelen.
De ware kracht van Corvina komt echter naar voren bij de appassimento-techniek. Door de druiven in te drogen voor de persing, veranderen de enologische parameters drastisch. De suikerconcentratie stijgt, de tannines worden zachter en fluweelachtig, en het aromatische palet verdiept zich naar complexe tonen van rozijnen, gedroogde pruimen, tabak, chocolade en specerijen. Hierdoor ontstaat de volle, krachtige structuur die kenmerkend is voor de Amarone, waarbij de natuurlijke zuren van de Corvina voorkomen dat de wijn log of te zwaar wordt.